Home » Oude gedichten

Ik was aan het zoeken naar een gedichtje wat ik ooit zelf gemaakt had en vond ineens een schrift waar ik jaren geleden wat gedichtjes in heb gezet van P.A. de Genestet. Hij werd geboren in 1829 te Amsterdam en stierf in 1861 aan TBC. Na door zijn grootmoeder te zijn opgevoed is hij Predikant geworden en schreef ook gedichten. Hij had een bepaald gevoel voor humor en veel van zijn gedichten zijn op alle tijden van toepassing.

 

Lees maar eens, het is de moeite waard...









Liedje in de maneschijn

Hoe komt het toch, dat zo garen
de meisjes- vraagt ge mij-
in het lieve maantje staren
met stille mijmerij ?

Wel hebt ge nooit vernomen
van het mannetje in de maan?
Zij zien het in hun dromen
Zij lokken `t met een traan

Schijnt later, als de morgen
haar naast een wiegje wekt
en de avond uit de zorgen
haar in de veren trekt.

Schijnt later van de hoge
het maantje op de ruit
Men kijkt met andre ogen:
Het mannetje is er uit!

Zelfs ziet men menig spannetje
zo kwalijk samen gaan
dat vaak de vrouw het mannetje
terug wenst naar de maan!

P.A.de G. (1858)


* * * * *

Drie Paren en Één.
Gij hebt twee ooren - maar één mond, Dat, vriend! zij u een teeken, Om veel te hooren en niet veel Te spreken
Gij hebt twee oogen - maar één mond, Bedenk dat, u ten zegen: Veel moet gij zien en zeer veel dient Gezwegen!
Gij hebt twee handen - maar één mond, Den zin hoort gij te weten: Twee zijn er voor het werk, maar één om te eten!
* * * * *

Nooit van pas.
Bij 't zorgen Voor morgen Vond niemand ooit baat: Eerst, als ge er vóór staat, Dan voelt gij het kwaad; En als gij 't voelt, dan helpt geen raad, - Dus: Wijsheid koomt steeds.... of te vroeg of te laat.
* * * * *

Groot; ook goed?
Gij houdt u groot in 't moeilijkst lot -
De vraag is:
houdt ge u goed voor God?

* * * * *

Rouwbeklag.
God heeft u zwaar beproefd! -
Ik weet één troostgrond maar:
dat HIJ het deed.
* * * * *

Benjamin af

Haast ben je nu niet meer Benjamin
Dan neemt een ander je plaatsje in
mijn lieve kleine jongen!
Dan zet je moeder je neer op de grond
Dan zegt je vader: loop heen, loop rond
Je wordt door een aapje verdrongen.

Haast ben je niet meer de Benjamin
Dan krijg je niet aldoor meer je zin
en moogt je fortuin gaan zoeken.
Dan eet er een ander de kaas van je brood
Dan heerst er een ander op moeders schoot-
Een koninkje in linnen doeken.

Dan sta je gelijk,
jij met de andere broers
En maak je spektakel, men noemt u jaloers
Men lacht om uw gramschap, klein wichtje!
In spijt van je lieve gezichtje.

Ja, haast ben je nu niet meer Benjamin
Je rijk heeft uit en een nieuw neemt begin.
Zo gaat het met de aardse rijken!
`t is goed dat je dit nu maar vroeg ondervind.
Het loopt in de wereld niet anders lief kind!
Dat zal je licht later blijken.

Eerst wordt ge vertroeteld,
eerst ben je de man!
Maar denk je, dat het lang duren kan?
Welneen, slechts een poosje, mijn baasje!
Dan komt er een wolkje in `t verschiet...
Dan komt er een aapje, dat je eerst niet ziet....
Hij schreeuwt en zit op je plaatsje!
* * *

Naar de natuur

Ik zie een graf gedolven
op`t kerkhof in Bloemendaal.
De lijkbaar staat te wachten,
vlakbij het kerkportaal.


De schooljeugd- `t is vakantie
iets zeldzaams in de week-
Maar meester is ingetogen
in `t zwart met een grote steek.

De schooljeugd- zij vind haar genoegens
op `t kerkhof als overal-
hoopt samen: "Er wordt begraven."
Dat is een aardig geval.


Zij komen nieuwschierig en kijken
en keuvelen met elkaar.
Zij klimmen op `t hek van het kerkhof
en duikelen over de baar.

Ze peilen de gapende grafkuil
met onbezorgde zin
De een zegt: "Het is een diepert!"
En de ander: "Durf jij er in?"

Een derde neemt een vuist vol
van `t opgedolven zand
en laat het als een fonteintje
weer vloeien uit zijn hand.


Nu gaan ze krijgertje spelen
rondom het open graf.
Ook ranslen twee vechtersbazen
elkaar eens eventjes af.


Maar Teunis zit met klaartje
al op den grafkuilrand.
Naar `t schijnt een deuntje te vrijen
op kinderlijke trant.


Zij spelen in verwachting
van `t geen er komen zal:
"Daar wordt er een begraven
dat is een aardig geval."

Zij spelen- daar naderd langzaam
de statie het wachtende graf
Zij steken de hoofden tesamen
en nemen de petjes af!

* * *

( Ik wil hierbij wel even vermelden dat deze gedichten
al 38 jaar in mijn schrift staan
en van geen enkele website zijn gecopieerd!)


Kinderloos

 

Arm moedertje is zoo alleenig,
Arm moedertje is zo bedroefd,

 de Vader, Die zij dankte, heeft haar zoo zwaar beproefd.

 Zij staart in het verlatene wiegje, 0p 't speelgoed nog zwervend in 't rond;

 Daar ligt zijn popje: zij kust het Met bleekbestorven mond.

 Haar armen zijn ledig, Weg al haar levenslust!

 Haar huis is uitgestorven zij heeft noch zorg, noch rust.

 O vrouwe, hadde uw ziele Nooit moedervreugd gekend, -

 zoo waart ge vreemd gebleven aan deze lange ellend!

 Zij wringt de witte handen, Ziet op, en peinst en schreit en stamelt:

 Neen, ik dank nog: Mijn rouw is heerlijkheid!

 

het Lief vrouwtje, slank en schoon, gedost in zijden plooien,

 staat, leunende in den vensterboog, Haar zieltje te verstrooien.

 Ze is rijk, ze is jong, zij wordt bemind.

 Toch welt er in haar ogen een traan,

 die vruchteloos het fijn batist gedurig af wil drogen

 

Een arme vrouw in 't lompenkleed, Met ingevallen konen....

 Een kindje aan de dorre borst, Vraagt aalmoes van de schone.

 

En het zieklijk wichtje blikt haar aan, met zachte, vriendlijke ogen....

 Zij neemt haar goud, - maar toeft, maar staart, -Verwijtende ten hoogen -

 En lacht... Een aalmoes vraagt die vrouw! Ben ik dan rijk? Erbarmen

 Mijn God! ik, ik heb immers niets, Zij - schatten- in haar armen!

 


De muziek kun je hier uitzetten


Beeethoven-Pathetique